Beeldend kunstenaar en levensgenieter J. Ongeluk (1976) laat in zijn immer subtiele werken de breekbaarheid van het individu en verbazing over eigenlijk alles hand in hand gaan.
Zijn drijfveren; een ongelukkige jeugd en de innerlijke dwang om alles te ordenen, zorgen veelal voor diverse eindproducten. Hij is geinteresseerd in vrijwel alles en de wereld om hem heen in het bijzonder. ‘Ik wil emotioneel geraakt worden door kunst. Het moet me als het ware aan het huilen kunnen brengen.’ Aldus Jasper, liggend op de vloer van zijn atelier.
Zijn onderzoek naar de verhouding tussen vorm en kleur werpt volgens de kunstenaar momenteel wel zijn vruchten af. De muren van zijn atelier zijn op ongelooflijk geordende manier behangen (het hangt van licht naar donker in de leesrichting) met een tal van afbeeldingen van ellebogen. Deze, volgens de kunstenaar slappe aftreksels van de over het algemeen meer gelauwerde knieen, zijn natuurlijk overdrachtelijk ingezet in de reeks nieuwe werken die de kunstenaar onlangs heeft gerealiseerd. Deze werken symboliseren de buigzaamheid van de mens, waar de kunstenaar zijn vraagtekens bij heeft gezet. De reeks, bestaande uit 2 tekeningen, is een abstracte parrallel van het eigenlijke onderwerp.
‘Het gaat om de verhouding tussen de kleuren, verdeeld op het stukje karton en om de verhouding tussen beide werken onderling’ weet Ongeluk te vertellen alvorens in een niesbui te verzanden. Hierbij stoot hij een aantal lege flesjes bier om, die overigens massaal vertegenwoordigd zijn in zijn niet al te grote werkruimte, zij het op ordelijke wijze. Dit zet hem zichtbaar aan het denken en met grote twijfel in zijn stem oppert hij: ‘Zie je, daar heb je weer zoiets.’
De reden dat Ongeluk nooit exposeert, is volgens hem dat de werken zich daar niet goed voor lenen. Ze zijn vaak te kwetsbaar voor de buitenwereld.